Borstsparende of volledige amputatie bij borstkanker?

Borstsparende of volledige amputatie bij borstkanker?

Maandag 14 december 2015 — De Nederlandse onderzoekster Marissa van Maaren boog zich over de keuze tussen borstsparende of volledige amputatie. Het resultaat van haar onderzoek komt vandaag aan bod in enkele Vlaamse media. Bij dat artikel plaatsen we als nationale borstkankercampagne graag enkele kanttekeningen.

Preventieve amputatie is een ander verhaal

In de artikels wordt te snel voorbijgegaan aan het verschil tussen een preventieve amputatie en amputatie als deel van een behandeling. Lotgenotes zoals Angelina Jolie hebben het BRCA-gen. Dat betekent dat ze een erg groot risico hebben om borstkanker te ontwikkelen. Met een amputatie nemen ze dat risico weg. Hun operatie vond plaats vóór borstkanker zich kon ontwikkelen.

Grote verschillen tussen ziekenhuizen

Een compleet ander verhaal dan amputatie tijdens de behandeling. Daarvan weten we al langer dat een borstsparende operatie, in combinatie met radiotherapie, in 80% van de gevallen beter is. In de andere 20% is een volledige amputatie de beste optie.

Toch bestaan tussen de Vlaamse ziekenhuizen onderling grote verschillen in aanpak. Sinds enkele jaren brengt het Vlaams Indicatorenproject (www.zorgkwaliteit.be) de kwaliteit van onder andere de borstkankerbehandeling in kaart. De cijfers van 2014 leren ons dat:

  1. Een cel- of weefselonderzoek vóór operatie moet standaard zijn, maar is dat helaas niet altijd. In bepaalde ziekenhuizen gebeurt dit opvallend minder.
  2. Ook de behandelende arts zelf speelt een bepalende rol. Sommige artsen voeren veel meer borstsparende operaties uit, andere kiezen vaker voor volledige amputatie.
  3. De overlevingskansen na vijf jaar verschillen sterk tussen de ziekenhuizen. Het verschil kan tot meer dan 10% bedragen.

Nood aan een gestandaardiseerde aanpak

Hoe brengen we behandeling van borstkanker in Vlaanderen overal op hetzelfde niveau? Daarvoor dringt een meer gestandaardiseerde aanpak over alle ziekenhuizen heen zich op. Daarom dringen we er bij Maggie De Block, federaal minister van Volksgezondheid, op aan om hier in 2016 werk van te maken.